Het is avond in Oslo. Dik ingepakt in chique avondkleding haasten de mensen zich naar wat eruitziet als een moderne torentempel. De steile, witmarmeren en glazen gevels met scherpe hoeken staan te glanzen aan de oever van het Oslofjord. Het is het adembenemende nieuwe operahuis van de stad en bijna alle uitvoeringen zijn uitverkocht.

Nog niet zo lang geleden kon je deze buurt, Bjørvika, aan de oostkant van de Noorse hoofdstad, beter mijden. Het was een industriegebied omgeven door scheepswerven, houthandelaren en braakliggende grond. Nu nippen operaliefhebbers er van hun glas champagne à 11 euro 50 voor ze hun plaats opzoeken in de weelderige zaal van dit 500 miljoen euro kostende monument.

De bewoners van Oslo hebben met een schuin oog naar de opera van Sydney (Australië) gekeken en gedacht: dat kunnen wij ook. En daar blijft het niet bij. Oslo maakt zich op voor een hele reeks peperdure projecten: een opknapbeurt van het Centraal Station, een kunstcomplex dat is ontworpen door de gevierde Italiaanse architect Renzo Piano, een internationale school, een bibliotheek, een museum voor het werk van Edvard Munch – vooral bekend van ‘De Schreeuw’ – en een Vikingmuseum.

De wereldeconomie mag dan op zijn gat liggen, de Noren lijken van niets te weten.

‘Noorwegen is een beetje een raadsel,’ verklaarde de in Parijs gevestigde OESO (de organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling) in 2007. Hoe kreeg Noorwegen het voor elkaar om zichzelf in nog geen dertig jaar tijd te transformeren van een ‘relatief arm’ land in een land met zo’n beetje de hoogste levensstandaard ter wereld? Men deed er immers bijna alles ‘fout’. Zo is er een gigantische overheidssector, die volgens voorstanders van de vrije markt schadelijk is voor de concurrentie, innovatie en groei, de loonkosten zijn er hoog en de vakbonden machtig, de belastingen zijn hoog, de sociale voorzieningen zijn royaal en de pensioenen zijn gegarandeerd. Bovendien lijkt het land immuun voor de huidige toestand van de wereldeconomie.

‘Is het Noorse succes alleen maar aan olie te danken?’ vroegen OESO-analisten zich af. Het land, waar slechts 4,8 miljoen mensen wonen, is de zesde olie-exporteur ter wereld (vlak na Koeweit en Iran) en de bewezen olie- en gasvoorraden voor de kust horen tot de top twintig in de wereld.

Dus ja. En nee. ‘Het is een combinatie van geluk en goed beheer,’ legt Arve Johnson uit, de pionier die min of meer in zijn eentje verantwoordelijk is voor de oprichting van Statoil, het staatsbedrijf dat een van de pijlers is van de huidige welvaart in Noorwegen.

Hard Nauwelijks een eeuw geleden lagen de zaken heel anders. Toen Noorwegen in 1905 onafhankelijk werd na bijna 400 jaar buitenlandse overheersing, eerst door Denemarken, daarna door Zweden, was bijna een miljoen Noren – de helft van de bevolking – geëmigreerd. Dat waren meestal boeren die wilden ontsnappen aan de schrale armoede in een hard, bergachtig thuisland, waar slechts drie procent van de grond geschikt is voor de landbouw. Tegenwoordig wonen er in Noord-Amerika evenveel mensen van Noorse komaf als in Noorwegen zelf.

Degenen die bleven, leefden zuinig. Als de oogst overvloedig was, maakten ze niet alles op. Ze gunden zich geen luxe, maar zetten iets opzij voor de magere tijden die zeker zouden volgen. Noren zijn puriteins en houden niet van uitspattingen. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, is hun levensmotto.

De economie weerspiegelde die nuchterheid: landbouw, visserij, bosbouw, papier- en textielproductie, transport – veel meer was er niet te doen in het land.

Daar kwam verandering in toen, een stukje zuidelijker, in Nederland, grote gasvelden werden ontdekt. De Noren besloten om in hun eigen zeebodem ook op zoek te gaan naar olie en gas. Dat leverde aanvankelijk, halverwege de jaren zestig, niets op. Sommige oliebedrijven hielden het voor gezien, andere geloofden er niet meer in en pessimisten in het land zelf mopperden dat het allemaal een fata morgana was.

Maar toen, in september 1969, midden in de nacht, belde de manager van een boorinstallatie in het Ekofiskveld, driehonderd kilometer van de kust, zijn baas aan wal. ‘Bent u wakker?’ zei hij. ‘Houd u vast: overal in de Noordzee zit olie!’

De zuinige Noren hadden van de fouten van anderen geleerd hoe je verantwoordelijk met zo’n meeval-ler moet omgaan. In Nederland, bijvoorbeeld, werd een groot deel van de gasmeevallers in de jaren zestig en zeventig gebruikt om de uitkeringen te ver- hogen. Dat leidde tot hoge inflatie en een neergang van de industrie, waarvoor men in de economische wetenschap nog altijd de term Hollandse Ziekte gebruikt.

Mocht de Noord- zee een goudpot blijken te zijn, besloten de Noren, dan was dat het ‘familiekapitaal’ waarvan alle landgenoten moesten profiteren. Het mocht niet verspild worden.

In contracten met oliebedrijven werd de garantie opgenomen dat de staat wel van de winst profiteerde, maar niet de risico’s droeg. ‘We hielden bijna vijftig procent van elke ontdekking over,’ legt Kåre Valebrokk uit, voormalig hoofdredacteur van Dagens Næringsliv, de belangrijkste financiële krant van Noorwegen.

In 1972 richtte de Storting (het parlement) Statoil op, die de Noorse belangen moest behartigen. Arve Johnson, een advocaat en econoom die voor Norsk Hydro werkte, werd aangewezen als eerste werknemer en directeur. Zijn nieuwe kantoor in de kuststad Stavanger was een ongemeubileerd, gehuurd appartement, waar hij zijn eerste nacht op de vloer doorbracht, rillend in een slaapzak onder zijn winterjas.

Er viel een hoop te leren. Maar Johnson en zijn uitdijende team van enthousiaste twintigers richtten zich op de lange termijn. Sommigen werden naar het buitenland gestuurd om meer over de olie-industrie te leren, er werden professoren aangesteld om jonge Noren op te leiden en de Technische Hogeschool aan de Universiteit van Trondheim maakte een periode van enorme groei door. ‘We begonnen als stuurmannen aan wal die toekeken hoe de oliegiganten het deden,’ zegt hij tegen Reader’s Digest. ‘We volgden vaarlessen en namen het roer uiteindelijk over.’

Bijna veertig jaar later is Statoil, met 30.000 werknemers in veertig landen, de grootste onderneming van Noorwegen. Het land beschikt over de allermodernste technologie op het gebied het winnen van diepzee-olie en –gas. De Noorse knowhow en innovaties – van motoren die worden aangedreven door ‘groen’ gas tot vederlichte kabels die sterker zijn dan staal – worden nu over de hele wereld toegepast.

Investering De rijkdom van de olie- en gaswinning kwam natuurlijk niet van de ene op de andere dag bij alle Noren terecht. ‘Toen we in 1983 aankwamen, was Oslo een dorp,’ herinnert professor Nina Witoszek zich, een Poolse die cultuurgeschiedenis aan de universiteit van Oslo doceert. ‘Voor rijkdom moest je je schamen. De welgestelden bouwden hoge muren rond hun zwembad.’

Twintig jaar geleden bepaalde de Storting dat alle petroleuminkomsten vanaf dat moment in een speciaal fonds gestort moesten worden. Dat geld zou dan in aandelen en obligaties worden geïnvesteerd, waarmee extra inkomsten werden gegenereerd. Alleen die extra inkomsten mochten nog worden uitgegeven.

Naarmate er meer bronnen werden aangeboord en de energieprijzen stegen, groeiden het fonds en de opbrengsten vanaf de eeuwwisseling explosief. Eind 2009 werd het geschat op 310 miljard euro, met een waardestijging van 25,6% in dat jaar. Economen voorspellen dat de waarde de komende vier jaar zal verdubbelen, mede doordat de fondsbeheerders tijdens de crisis grote hoeveelheden aandelen voor een goed prijsje opkochten.

Voordelen De rijkdom wordt voornamelijk aan de Noren doorgegeven in de vorm van ruimhartige sociale voorzieningen, door een regering die een begrotingsoverschot heeft en niet hoeft te lenen. ‘We hebben veel geld gespaard,’ verklaart Roger Schjerva, staatssecretaris van financiële zaken.

De staat biedt eersteklas onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang, allemaal vrijwel gratis.

Toen journalist Lars Hellberg bijvoorbeeld pijn in zijn borst kreeg en instortte in zijn kantoor, arriveerde de ambulance in acht minuten. Binnen drie kwartier lag hij in de operatiekamer en dotterden chirurgen zijn dichtgeslibde aderen. Drie weken later was hij weer aan het werk. Het heeft hem geen cent gekost. ‘Onze gezondheidszorg is heel goed,’ zegt hij. ‘Ze heeft mijn leven gered!’

Margit Traaen, een jeugdwerker uit Rødberg, in het berg-achtige hart van Zuid-Noorwegen, lijdt aan de ziekte van Bechterew, een zeer pijnlijke vorm van reuma. Ze krijgt niet alleen regelmatig zorg aan huis, de gezondheidszorg heeft haar ook vijf keer naar een zorgboerderij in Montenegro gestuurd. Voor haar verblijf daar betaalt Traaen twaalf euro per dag. De staat betaalt de vluchten en alle overige kosten.

‘Ik ben als herboren wanneer ik na vier weken terugkom uit Montenegro,’ zegt Traaen. ‘De behandeling, de zon en de mediterrane warmte doen wonderen voor mijn gezondheid. Daardoor kan ik de barre Noorse winters beter verdragen.’

Ook een staatspensioen is gegarandeerd. Zelfs echtparen die nooit hebben gewerkt, ontvangen tot zo’n 30.000 euro per jaar.

Een bewijs van het succes waar de Noren heel blij mee zijn, is de instroom van Zweden, die van oudsher worden beschouwd als ‘gro- te broers’, om laaggeschoold werk aan te nemen, vaak in de horeca of in de bouw. De arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden zijn er beter dan bij hen thuis.

Voor Noren die werken, waaronder een groter percentage vrouwen dan waar ook (met uitzondering van Zweden), is er gegarandeerd een plek voor hun kinderen in de crèche.

In Hvalstad, een slaapstadje 22 kilometer ten westen van Oslo, komen de ouders op vrijdagnamiddag hun kroost ophalen bij de plaatselijke crèche. Negentig daarvan, een tot vijf jaar oud, hebben daar sinds 8 uur die ochtend gespeeld, geverfd en het alfabet geleerd.

Marius Jorgensen, een videotechnicus, zegt dat hij ongeveer vierhonderd euro per maand betaalt voor zijn tweeling van vier, een fractie van de werkelijke kosten (voor vijf dagen per week). ‘Zo kunnen mijn vrouw en ik allebei werken,’ legt hij uit.

Else-Marie Stolt-Nielsen, een filmproducent, heeft hier ook twee kinderen. Ouders in Noorwegen hebben recht op twaalf maanden betaald ouderschapsverlof, verdeeld tussen vader en moeder. De Noorse baby’s blijven dus bijna een jaar thuis. Daarna is de crèche een echte uitkomst. ‘Ik wilde mijn carrière niet opgeven,’ zegt Stolt-Nielsen. ‘Zonder crèche zouden we niet zo veel kinderen hebben gehad.’ Dit verklaart mede waarom Noorwegen een van de weinige landen van Europa is waar het geboortecijfer stijgt.

Maar waar zijn dan de grootouders die misschien voor eerdere generaties kinderen hebben gezorgd? ‘Ze werken ook, zijn aan het golfen of zitten op Mallorca,’ oppert de crècheleidster, Ingrid Wold Olsen.

Het goede leven Of misschien zitten ze op hun jacht. De Noren hebben nu 800.000 plezierboten. Alleen al het Oslofjord heeft twintig havens die er vol mee liggen. In een daarvan, aan Frognerstranda, ligt een gestroomlijnd motorjacht van 21 meter lang met acht hutten. Het is twee jaar oud en te koop voor 2 miljoen euro. De eigenaren hebben een duurder, op maat gemaakt alternatief van 25 meter lang besteld. ‘Dit jaar hebben we niet zoveel boten verkocht, maar wel grotere. De omzet blijft gelijk,’ zegt boothandelaar Eva Narverud. ‘Bijna al onze klanten betalen contant.’

Of misschien in hun vakantiehuis. Met een half miljoen tweede onderkomens heeft bijna de helft van de Noorse bevolking er een tot zijn beschikking. Vroeger waren het meestal eenvoudige houten hutten. Nu zijn het degelijk gebouwde huizen die van alle modern comfort zijn voorzien.

Sinds februari 2010 kan het ook zijn dat ze met de tram naar Holmenkollen sporen, naar wat velen beschouwen als de parel op de kroon van hun welvaart: de skischans in Holmenkollen. De meest bezochte attractie van het land werd onlangs voor maar liefst 200 miljoen euro compleet gerestaureerd. In 2011 worden hier de Nordic World skikampioenschappen gehouden.

De ruimere ambitie is dat de schans, die ’s avonds verlicht wordt en te zien is vanuit Oslo, een krachtig symbool van de stad en Noorwegen wordt, zoals de Eiffeltoren van Parijs en Frankrijk.

In 2009 heeft het Verenigde Naties Ontwikkelingsprogramma in zijn jaarlijkse rapport, waarin het welzijn en de veranderingen in levensomstandigheden in de hele wereld worden beoordeeld, Noorwegen aangewezen als de beste plek op aarde om te wonen.

Welke les kan de rest van ons daaruit trekken, afgezien van de grote portie geluk en goed beheer?

‘Als u op een gegeven moment zomaar geld in de schoot krijgt geworpen, moet u dat verstandig uitgeven. En probeer het ook te delen met toekomstige generaties,’ zegt Arve Johnson. ‘Maak optimaal gebruik van uw middelen, voor het welzijn van anderen en voor de lange termijn.’

 

Meest gelezen in Kennis

  1. Heeft u meer vitamine D nodig in de herfst en de winter?
  2. ‘Ze laten me maar niet met rust!’
  3. Roversnest op het internet

Meer Artikels

Reageer op dit artikel

Naam*
E-mail adres*
Reactie*

Reactie aan de redactie

Verdien € 100 door ons uw bijdrage te sturen!

Wilt u reageren op een van onze artikelen, hebt u een suggestie of een tip voor de redactie? 

Of wilt u 100 euro verdienen met een persoonlijke bijdrage voor een van onze rubrieken, Lachen!, Leven of Op 't Werk?

Stuur uw reactie!