Een meisje in een schamel onderkomen. Photo: Q. Sakamaki/Redux

De redders

Het was die middag niet goed gegaan. Chris Dunic en zijn collega’s van een opsporings- en reddingsteam van de Amerikaanse noodhulpdienst FEMA uit New York, waren gefrustreerd. Ze bleken verkeerde aanwijzingen te hebben gekregen bij hun zoektocht naar overlevenden onder de ingestorte gebouwen rond Port-au-Prince. Ze hadden niemand gevonden. Acht dagen na de aardbeving van 12 januari wist commando Dunic dat de kans dat ze mensen levend van onder het puin konden halen steeds kleiner werd.

Toen kwam er een melding: een vrouw die de restanten van haar appartement aan het doorzoeken was, had vaag geroep om hulp gehoord.

Dunic en zijn team haastten zich naar die plek. Een ploeg van FEMA uit Virginia was al ter plaatse. De twee reddingsteams lieten een kleine camera door de brokken beton, stukken ijzer, buizen en kabels zakken – meer was er niet over van het vijf verdiepingen tellende gebouw. Zou dit de volgende zinloze onderneming zijn? Wat kon de camera hen tonen behalve misschien de verbrijzelde lichamen van de bewoners die de schokken niet hadden overleefd? Plotseling kregen ze hoop: via de camera zagen ze een lege ruimte – niet groter dan de ruimte onder een bureau – waarin zich twee kinderen bevonden. Ze lagen dubbelgevouwen als lappenpoppen maar ze leefden!

De reddingswerkers begonnen koortsachtig te graven. Onderwijl riepen ze regelmatig naar de kinderen. Eindelijk hoorden ze twee zwakke stemmen. Die waren van Kiki Joachin, een jongetje van zeven of acht, en van zijn tienjarige zusje Sabrina.

Zij aan zij werkten de hulpverleners de hele middag door. Twee man tegelijk in diensten van tien minuten. Ze zaagden en ruimden en groeven een gang naar de plek waar de kinderen gevangen zaten. Het was gevaarlijk, minutieus werk omdat ze het risico liepen dat het gebouw verder instortte. Terwijl de uren verstreken en de vermoeidheid begon toe te slaan, bleven de mannen vastberaden doorgraven. Er ontstond een sfeer van verbondenheid.

Toen Dunic aan de beurt was, kwam Brand Antons van de ploeg uit Virginia hem helpen. Antons voelde zich vereerd dat hij mocht samenwerken met het team uit New York. ‘Het was alsof ik in de eredivisie ging spelen,’ zegt hij.

Dunic pakte een elektrische drilboor en sprong in het gat. Antons knielde om het slagblad op een stuk beton te stellen. Dit was van groot belang om te voorkomen dat rondvliegende splinters de kinderen zouden raken. Toen gingen ze aan het werk. Dunic hakte stukken van het steen, terwijl Anton emmers met puin vulde en die doorgaf naar buiten.

Uiteindelijk brak de drilboor door het laatste stuk beton, waardoor er toegang ontstond naar de ruimte waarin de kinderen geklemd zaten. Nerveus bukten Dunic en Antons zich. Ze zagen Kiki, wit als een spook door het betonstof, met zijn hoofd en schouders tussen zijn knieën geklemd. Achter hem lag Sabrina, opgevouwen als een veiligheidsspeld, tussen de poten van een metalen stoel – haar benen recht vooruit en haar armen uitgestrekt naar haar tenen. Onder Kiki lag het levenloze lichaam van hun broer. De kinderen hadden daar acht dagen gelegen, zonder zich te kunnen bewegen.

Dunic maakte de opening breder en gebaarde naar Kiki dat hij naar buiten moest rollen. Maar Kiki verroerde geen zin. Hij mompelde iets in het Creools, schudde zijn hoofd en wees naar zijn zusje en naar zijn broer achter hem – hij wilde hen niet achterlaten. Dunic en Antons probeerden Kiki naar buiten te lokken. Ze boden hem water aan en gebruikten het weinige Frans dat ze kenden, maar de jongen kroop naar achteren.

Antons probeerde zich voor te stellen wat het getraumatiseerde kind zag: een verschijning van vreemde mannen in werkpakken met rode en witte helmen, maskers en flitsende lampen. ‘We maken hem bang,’ zei hij tegen Dunic. Toen begon Antons te zingen. Een kinderliedje. Het enige dat hij kende in het Frans:

Frère Jacques, frère Jacques, Dormez-vous? Dormez-vous?

Een Haïtiaan die in de menigte had staan kijken kwam helpen. Met een zucht rolde Kiki in de opengespreide armen van Dunic, die hem doorgaf aan een reddingswerker die de jongen hoog in de lucht tilde. Kiki spreidde zijn armen, die een week lang tegen zijn lichaam geklemd hadden gezeten, en toverde een brede glimlach op zijn gezicht. Later zei hij: ‘Ik lachte omdat ik vrij was en omdat ik nog leefde.’

De door het werk geharde reddingswerkers barstten in juichen uit. Een paar minuten later hadden Dunic en Antons de metalen stoelpoten doorgezaagd en Kiki’s zusje bevrijd. Nu werd Sabrina in veiligheid gebracht.

De overlevende

Op 12 januari, om 16 uur 53, zat ontwikkelingswerker Jens Kristensen (48) van de Verenigde Naties achter zijn bureau op de derde verdieping van het Christopher Hotel, het VN-hoofdkwartier in Port-au-Prince, dossiers door te nemen toen hij een trilling voelde. Ongeveer vier seconden later sloeg de aardbeving toe.

Hij kroop onder zijn bureau, waar even later een boekenkast overheen viel. Daardoor raakte hij niet bedolven onder het puin. ‘Het voelde alsof ik in een kleine doodskist zat – 1 meter 25 lang, misschien 30 centimeter hoog, en 50 centimeter breed,’ zegt hij. Vijf dagen lang lag de Deen onder een berg verwrongen puin. Het was zo donker dat het niet uitmaakte of hij zijn ogen opende of sloot. Hij gebruikte het licht van zijn mobiele telefoon om om zich heen te kijken. ‘Ik zocht naar alles dat ik maar kon gebruiken,’ zegt hij. Zo vond hij onder meer een pot instantkoffie. ‘Ik had geen eten of water, alleen die koffie om op te zuigen.’

Kristensen weigerde zich neer te leggen bij de gedachte dat hij zijn dierbaren nooit meer zou zien. Naarmate de dagen verstreken, begon hij zich echter af te vragen hoe lang hij nog kon overleven. ‘Zou ik in coma raken? Wat is er na dit leven?’

Rond half zeven op de ochtend van 17 januari, kwamen de generatoren van het gebouw tot stilstand door een olielek. Kristensen kon nu boven de plek waar hij vast zat gedempte stemmen horen. ‘Ik was eigenlijk te uitgeput om te roepen, maar ik begreep dat ik elke kans op redding moest aangrijpen.’ En dus schreeuwde hij.

Zes uur later keek Kristensen zijn redders in de ogen. ‘Het was echt onvoorstelbaar. Alsof ik voor de tweede keer geboren werd,’ herinnert hij zich. Uitgedroogd en stram, maar ongedeerd op een kneuzing en een schram na, nam Kristensen drie dagen om te herstellen voor hij 14 uur per dag aan het werk ging om de noodzakelijke leveringen van voedsel, water en andere hulpmiddelen te coördineren. Meer dan 90 medewerkers van de VN in Haïti kwamen om het leven. Maar Kristensen zegt dat de liefde van de mensen om hem heen de pijn enigszins verzacht: ‘De oprechte betrokkenheid die ze tonen is fantastisch. Het voelt alsof ik deel uitmaak van een grote familie.’

- UN News Centre (25 januari 2010)

De Scout

Honderden vrouwen, gewond en hongerig, strompelen over een zandweg naar een vrachtwagen die in een dor veld staat, net buiten Léogâne. Die stad met 134.000 inwoners, zo’n 30 kilometer van het epicentrum van de aardbeving, is van de kaart geveegd. Naar schatting zijn er 3300 inwoners om het leven gekomen.

 

 

Meest gelezen in Inspiratie

  1. Kleine valpartij, lange weg terug
  2. Helden van Haïti
  3. Reader’s Digest Europeaan van het Jaar

Meer Artikels

Reageer op dit artikel

Naam*
E-mail adres
Reactie*

Reactie aan de redactie

Verdien € 100 door ons uw bijdrage te sturen!

Wilt u reageren op een van onze artikelen, hebt u een suggestie of een tip voor de redactie? 

Of wilt u 100 euro verdienen met een persoonlijke bijdrage voor een van onze rubrieken, Lachen!, Leven of Op 't Werk?

Stuur uw reactie!